Het is volop herfst!
Prachtige goudgele dagen worden afgewisseld met donkere luchten en dagen vol regen en mist. Bladeren kleuren de bomen en struiken rood, oranje, geel en uiteindelijk bruin. Ze verliezen hun blad.
In de ochtend en vroege avond verschijnen witte nevels boven de velden. De dagen worden nu merkbaar korter en het wordt donkerder en donkerder.
De laatste oogsten zijn binnen gehaald en liggen in de schuren. Was in de zomer de natuur in volle bloei en ademde de aarde ten volle uit, nu is ze bezig met haar inademing en trekt de natuur zich helemaal terug naar binnen, diep de aarde in, om de opgedane zonnekrachten van de zomer om te vormen tot nieuwe kiemkrachten voor de komende lente.

Sint Maarten is het eerste lichtfeest in de donkere helft van het jaar in de aanloop naar kerst. Dit is het begin van de grote advent die ongeveer veertig dagen duurt en de lichtjes steeds meer toenemen.
In de zomer was de stemming naar buiten gericht, buiten zijn, lange avonden en luchtige kleding. Nu gaan we met de aarde mee de donkere tijd in en keren naar binnen. We kleden ons warm aan en zijn steeds meer binnen in huis bij de (hout)kachel.

We hebben in de Michaëltijd onze innerlijke draken verslagen en met innerlijke levensmoed nieuwe plannen gesmeed die in de zomertijd aan het licht kwamen. Dit innerlijke licht dat is gesmeed wil nu gaan groeien terwijl het uiterlijke licht steeds minder wordt.
Een uitgeholde knol of wortel uit de aarde met daarin een vlammetje staat symbool voor het innerlijke licht dat nu mag gaan stralen.
Veertig dagen na kerst wordt het laatste lichtfeest, Maria lichtmis, gevierd (het licht wat in de diepe wintertijd is gegroeid, brengen we naar buiten, door de kaarsrestjes van de winter te gebruiken en die op te branden buiten, waar het prille nieuwe leven uit de aarde komt).

Met Sint Maarten worden, zoals bij veel christelijke feesten, verschillende oude feesten en gebruiken samengebundeld in één feest. Zo werd er vroeger door de armen rondgegaan om bij de rijken te bedelen als was gebleken dat hun oogst niet voldoende was om de winter door te komen. De lichtjes vinden o.a. hun oorsprong in het herdenken en eren van de overledenen. Het lichtje in de lantaarn vertegenwoordigde de ziel. Buiten werd opgeruimd, afval verbrand in grote vuren. Binnen werden voorraadkamers gevuld. Als laatste werd een biet uitgehold en aan de dakrand gehangen als teken dat de winter mocht komen.
De winterperiode van twee keer veertig dagen werd door de Kelten en Germanen, de Grote Juultijd genoemd met het joelfeest rond de kortste dag van het jaar, duurde 12 dagen en was afhankelijk van de maanstand.
In sommige sint maartenliedjes wordt gezongen over het slachten van een koe. Dit verwijst nog naar de tijd dat in november het vee werd geslacht voor de winter, november slachtmaand.


Het verhaal

Martinus woont met zijn ouders in Frankrijk wat deel uitmaakt van het Romeinse rijk. De vader van Martinus had een belangrijke functie in het Romeinse leger en volgens de tradities in die tijd traden zonen in de voetsporen van hun vader.
Op 15 jarige leeftijd gaat Martinus dienen in het Romeinse leger in Gallië. Hij is 18 jaar als hij, op een koude dag aankomt bij de stadspoort van de stad Amiens. Bij de poort zit een halfnaakte bedelaar. Martinus wil de man iets geven maar heeft geen geld bij zich. Het waardevolste dat hij bezit is zijn krijgsmantel, die als warme deken dient in de nacht.
Om de man toch iets te geven snijd hij zijn krijgsmantel doormidden en geeft een helft aan de bedelaar.
In die nacht krijgt hij een droom waarin Christus aan hem verschijnt en hem vertelt dat Hij het was die aan de poort zat. Vanaf dat moment besluit Martinus zijn leven te wijden aan Christus en afstand te doen van alle pracht en praal.

Waarom gaf Martinus niet zijn hele mantel?
Met het delen van zijn mantel gaf hij dat weg wat hij bezat, namelijk de helft van zijn mantel. De andere helft was bij wet van de Romeinse staat.
Een innerlijk beeld wat daarbij past kan zijn: Bij het op aarde komen heeft ieder mens in potentie bepaalde eigenschappen en talenten. Die kunnen we niet weggeven, maar we kunnen wel delen in de resultaten van het werken met die talenten en eigenschappen.

Door iets met iemand te delen maak je hem deelgenoot. Dit delen is niet een verder verbrokkelen maar juist een gemeenschappelijk maken. Martinus gaat een gemeenschap aan met de bedelaar.